Artikelen

Vergelijking van verworven spraakdyspraxie (VSD), spraak-ontwikkelingsdyspraxie (SOD) en normale spraak bij kinderen

  • M. Nije Instituut Medische Psychologie, Interdisciplinair Kinderneurologisch Centrum, Academisch Ziekenhuis St. Radboud, Nijmegen, en Afdeling Foniatrie, Academisch Ziekenhuis Utrecht.
  • B. Maassen Instituut Medische Psychologie, Interdisciplinair Kinderneurologisch Centrum, Academisch Ziekenhuis St. Radboud, Nijmegen, en Afdeling Foniatrie, Academisch Ziekenhuis Utrecht.
  • Sj. van der Meulen Instituut Medische Psychologie, Interdisciplinair Kinderneurologisch Centrum, Academisch Ziekenhuis St. Radboud, Nijmegen, en Afdeling Foniatrie, Academisch Ziekenhuis Utrecht.

Samenvatting

Het onderzoek bestond uit het vergelijken van de spraakproduktie van kinderen met verworven spraakdyspraxie met de spraakproduktie van kinderen met spraak-ontwikkelingsdyspraxie en normaal sprekende kinderen, teneinde de verschillen en overeenkomsten in de produktie te kunnen beschrijven. Hiervoor werd de spraakproduktie van vier kinderen met een verworven spraakdyspraxie geregistreerd en geanalyseerd. De consonantproduktie werd bekeken op de hoeveelheid fouten, het type fouten en de syllabepositie, daarnaast werden de artikulo-motorische vaardigheden onderzocht. De prestaties van deze kinderen werden vervolgens met de prestaties van vier kinderen met een spraak-ontwikkelingsdyspraxie en vier normaal sprekende kinderen vergeleken. Kinderen met een verworven spraakdyspraxie blijken veel meer spraakfouten te maken dan normaal sprekende kinderen en hun artikulo-motorische vaardigheden vertonen meer beperkingen. Vergeleken met de groep kinderen met een spraak-ontwikkelingsdyspraxie maken kinderen met een verworven spraakdyspraxie ongeveer evenveel fouten in de spraakproduktie. Er zijn echter ook opvallende verschillen tussen de spraakprodukties van deze groepen, welke tot drie aspecten kunnen worden herleid:

– kinderen met een verworven spraak-dyspraxie lijken een consistenter produktiepatroon te vertonen dan kinderen met een spraak-ontwikkelingsdyspraxie;

- in het produktiepatroon van kinderen met een verworven spraak-dyspraxie zijn kenmerken gevonden welke kunnen wijzen op het gebruik van compensatiemechanismen, terwijl dit bij kinderen met een spraakontwikkelingsdyspraxie niet het geval is;

- het percentage consonantsubstituties initiaal kan gerelateerd worden aan de leeftijd waarop de dyspraxie is ontstaan, en aan controle-processen in de spraakproduktie.

Gepubliceerd
2005-01-01
Sectie
Artikelen